|
Minister Hoogervorst heeft aan de Tweede Kamer een nadere onderbouwing van de extra kosten en de consequenties die vervroeging van de invoering van het combinatievaccin met acellulaire kinkhoestcomponent met zich mee brengt. De bewindsman heeft besloten tot invoering van het combinatievaccin per begin 2005. Minister Hoogervorst heeft hierover overleg gevoerd met diverse betrokken partijen en zowel Gezondheidsraad, Inspectie voor de Gezondheidszorg, RIVM, NVI, Landelijke Vereniging van Entadministraties, Landelijke Vereniging van Thuiszorg, Landelijke Vereniging van Huisartsen en Nederlands Huisartsen Genootschap erkennen het belang van een zorgvuldige voorbereiding en steunen invoering in 2005. De kosten die gemoeid zijn met de aankoop van het combinatievaccin DaKTP-Hib zullen ruimschoots de drempel overschrijden van € 154.014 excl. BTW waarboven Europese aanbesteding noodzakelijk is op basis van de Richtlijn leveringen. Van deze Europese verplichting om de voorgeschreven procedure te volgen, kan in dringende gevallen worden afgeweken. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van een acute noodsituatie, die is ontstaan door een onvoorziene gebeurtenis, of dat er anderszins sprake is van een uitzonderlijke, nieuw ontstane situatie, die maakt dat het naar objectieve maatstaven onmogelijk is om de toepasselijke termijnen in acht te nemen. Dergelijke situaties zouden zich voordoen indien plotseling gebleken zou zijn dat ten gevolge van het huidige vaccin kinderen blijvende schade oplopen of zelfs overlijden. Hiervan is volgens de minister geen sprake. Het huidige cellulaire vaccin is volgens hem veilig en nuttig. Het huidige cellulaire vaccin beschermt evenals acellulaire vaccins tegen ernstige gevallen van kinkhoest die leiden tot sterfte en ziekenhuisopnames. De hogere effectiviteit van acellulaire vaccins betreft vooral minder ernstige kinkhoest. Ook veroorzaakt het huidige vaccin evenals acellulaire vaccins zelden of nooit ernstige bijwerkingen met blijvende lichamelijke gevolgen. Wel is het zo dat bij acellulaire vaccins minder als zeer belastend ervaren bijwerkingen van tijdelijke aard voorkomen. Op grond van deze feiten kan naar de mening van de bewindsman niet geconcludeerd worden dat er sprake is van dwingende spoed op basis waarvan afgeweken kan worden van de verplichting tot het volgen van de voorgeschreven Europese aanbestedingsprocedure. Los van deze juridische argumenten acht de minister het wenselijk om zekerheid te hebben over de kwaliteit en leverzekerheid van het nieuw in te voeren vaccin en vindt hij het van belang om verscheidene fabrikanten te betrekken bij de procedure, zodat de best mogelijke kwaliteit tegen de laagst mogelijke prijs verkregen kan worden. Op dit moment is er slechts het produkt van één producent geregistreerd in Nederland. Binnenkort wordt naar verwachting een tweede produkt in Nederland geregistreerd, waardoor de huidige monopoliepositie doorbroken wordt. Ook moet er voldoende tijd zijn om de organisatorische en logistieke afhandeling en voorlichting aan ouders en beroepsgroepen zorgvuldig uit te voeren. Hoewel het volgens de minister niet mogelijk is om invoering per september 2004 te realiseren heeft hij in kaart gebracht wat de extra kosten van vervroeging met 4 maanden zouden zijn. Deze kosten zouden € 9,9 mln bedragen. Uitgangspunt daarbij is dat het nieuwe vaccin geleverd zal worden tegen het huidige CTG-tarief en er daardoor geen meerkosten voor aankoop van het vaccin zijn. De meerkosten bestaan uit: Vernietigen voorraden NVI (4 maanden) 1.9 miljoen;
Vernietigen voorraad DKTP-Hib bij entadministraties (1 maand) 1.2 miljoen; Kosten afkoop contract Hib-vaccin 3.9 miljoen; Gederfde vaste kosten NVI (4 maanden) 2.8 miljoen. De gederfde vaste kosten bij het NVI betreft de kosten die gemaakt worden doordat de mensen en apparatuur bij het NVI aanwezig zijn en daar geen inkomsten door de verkoop van vaccins meer tegenover staan. Deze vaste kosten zullen wel doorlopen. Indien de voorraad bij de entadministraties groter is dan 1 maand worden de kosten hoger, bijvoorbeeld bij 1,5 maand veiligheidsvoorraad die ze niet meer op kunnen maken zijn de extra kosten hiervan € 1,8 miljoen. De medische kosten die bespaard kunnen worden door vervroeging met 4 maanden zijn de minister niet bekend, maar zullen volgens hem slechts een fractie bedragen van de extra kosten. De Gezondheidsraad heeft in zijn advies aangegeven dat er geen onafhankelijke kosteneffectiviteitsanalyse is gedaan. Op korte termijn is een betrouwbare berekening van de kosten niet mogelijk.
| |